vrijdag 9 oktober 2015

Begrippen Jeugdwet Decentralistatie

Transitie en Transformatie

Per 1 januari 2015 is de Jeugdwet in werking getreden waarmee de gemeente Amsterdam verantwoordelijk is geworden voor vrijwel alle zorg voor jeugdigen en hun ouders bij opvoed- en opgroeiproblemen en psychische problemen en stoornissen. Deze ‘transitie van de jeugdzorg’ is een zeer complexe verandering. De gemeente Amsterdam krijgt niet alleen veel nieuwe taken en middelen, maar ook de structuren en regels in de jeugdhulpverlening veranderen ingrijpend. Transitie en transformatie gaan hand in hand.

Jeugdhulp, Jeugdzorg, Jeugdbescherming, jeugdreclassering

Beleidsdoelen en effectindicatoren

In het Meerjarenbeleidsplan Sociaal domein 2015 – 2018 is de volgende missie voor jeugd geformuleerd: ‘de jeugd kan zich maximaal ontwikkelen en groeit gezond en veilig op.’ In de gemeentebegroting 2015, programmaonderdeel Jeugd en jeugdzorg, zijn daarop de volgende drie beleidsdoelen geformuleerd:
1.       Meer jeugdigen hebben een gezonde leefstijl en een gezond gewicht.
2.       Meer jeugdigen groeien psychosociaal gezond op.
3.       Meer jeugdigen groeien op in een veilige en positieve gezins- en thuissituatie.

Aan elke beleidsdoel zijn in de gemeentebegroting twee ‘effectindicatoren’ gekoppeld, inclusief nulmeting en streefwaarden voor de jaren 2015 tot en met 2018[1]. De indicatoren zijn geformuleerd in termen van resultaten voor de burgers van Amsterdam: wat worden zij er beter van? De effectindicatoren worden jaarlijks gemeten, cijfers over 2015 zijn daarom nu niet te geven.

Voorbeeld hiervan

Beleidsdoel:        Meer jeugdigen hebben een gezonde leefstijl en gezond gewicht
Effectindicatoren
1 Afwijking van percentage jeugdigen op gezond gewicht t.o.v. het landelijke gemiddelde
2 Percentage jeugdigen dat ooit genotmiddelen heeft gebruikt

Ouder Kind teams

joint venture van instellingen en gemeente. De teams werken gezinsgericht en zijn actief in de wijk, op school en thuis. Er zijn 22 teams in de 22 wijken van Amsterdam en 5 teams op stedelijk niveau: 4 teams voor het voorgezet onderwijs die aansluiten bij de gebiedsindeling van de VO-scholen en 1 team voor het middelbaar beroepsonderwijs (MBO).

De teams bestaan uit ouder- en kindadviseurs, jeugdartsen, jeugdpsychologen, teamleiders en assistenten. De teams zijn zodanig samengesteld dat er per wijk een goede balans is van de beschikbare expertise op het gebied van jeugdgezondheidszorg (JGZ), preventie en jeugdhulp, inclusief cliëntondersteuning, (licht) verstandelijke beperking en jeugd geestelijke gezondheidszorg.
de kerntaken van het Ouder- en Kindteam: de JGZ, ondersteuning en advies (waaronder het uitvoeren van trainingen opvoed- en opgroeiondersteuning) en jeugdhulp.



JGZ

Het Ouder- en Kindteam heeft de taak om de gezondheid en de ontwikkeling van Amsterdamse kinderen en jongeren van -10 maanden tot 18 jaar te bevorderen. Het Ouder- en Kindteam doet dat onder andere via het uitvoeren van het basispakket JGZ

Trainingen Opvoed en Opgroeiondersteuning

Het Ouder- en Kindteam heeft medewerkers in huis die trainingen opvoed- en opgroeiondersteuning kunnen bieden. Bij de start van het Ouder- en Kindteam is bepaald dat het Ouder- en Kindteam zelf de volgende trainingen uitvoert: Triple P, competentietrainingen, faalangst reductietrainingen, de weerbaarheidtraining Rots en Water en de training Sprint die is gericht op het verminderen van antisociaal gedrag van kinderen. Naast dit pakket zijn vanuit verschillende instellingen aanvullende trainingen beschikbaar die ingezet kunnen worden zonder dat een beschikking hoeft te worden aangevraagd. Reden hiervoor is dat bij OKT op dit moment nog niet benodigde capaciteit en expertise aanwezig is.

Jeugdhulp

Het Ouder- en Kindteam biedt naast informatie, advies of ondersteuning en trainingen ook lichte jeugdhulp aan jeugdigen tot 18 jaar (in uitzonderingsgevallen tot 23 jaar) en gezinnen.


Samen Doen Teams

Samen DOEN opereert op het snijvlak van de drie transities en ondersteunt huishoudens met en zonder kinderen waar sprake is van complexe problemen op meerdere levensgebieden. Hierdoor kan Samen DOEN de zorg en ondersteuning voor jeugdigen en volwassenen met elkaar verbinden, over de verschillende leefdomeinen heen. Kenmerk is dat de huishoudens verminderd zelfredzaam zijn en niet of in beperkte mate in staat zijn de problemen zelfstandig op te lossen. Maar er is geen sprake van een crisissituatie en er geen behoefte aan chronische of zeer langdurige ondersteuning en zorg. Doelstelling is een stabiele en uiteindelijk duurzame structurele verbetering in de levenssituatie te bewerkstelligen.

Toegang tot de jeugdhulp

Algemene Voorzieningen

de voorzieningen in het nieuwe jeugdstelsel die vrij toegankelijk zijn, de zogenaamde algemene voorzieningen (OKT, O&O, SSD)

Individuele Jeugdhulp voorzieningen

Een groot deel van de jeugdhulp is echter niet vrij toegankelijk. Voor deze zogenaamde individuele jeugdhulpvoorzieningen – in de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) ‘maatwerkvoorzieningen’ genoemd – is een besluit (ook wel beschikking genoemd) nodig namens het college of namens de gecertificeerde instelling of kinderrechter (als het gaat om gedwongen kader). In deze paragraaf wordt een cijfermatig inzicht gegeven hoe de toegang tot de individuele jeugdhulpvoorzieningen in Amsterdam verloopt: naar de verschillende toegangsroutes (A) en naar de verschillende lokale teams in de stad (B).

Jeugdhulp in vrijwillig of gedwongen kader


Er zijn verschillende toegangsroutes naar de individuele jeugdhulpvoorzieningen. Op grond van de Jeugdwet is er een onderscheid tussen jeugdhulp in vrijwillig kader en in gedwongen kader.

In vrijwillig kader

In vrijwillig kader ligt de bevoegdheid om een besluit tot toekenning van een individuele voorziening te nemen bij het college. Huisartsen, jeugdartsen en medisch specialisten hebben op grond van de Jeugdwet de bevoegdheid om rechtstreeks te verwijzen naar jeugdhulp en in Amsterdam is afgesproken dat bij vermoeden van ernstige enkelvoudige dyslexie ook basisscholen rechtstreeks mogen verwijzen. In beide gevallen volgt echter wel altijd een formele bevestiging van het recht op zorg in een beschikking namens het college. De gemeente Amsterdam heeft besloten dat de gemandateerde zorgprofessionals van de lokale teams (Ouder- en Kindteams en Samen DOEN-teams) namens het college de besluiten tot toekennen van jeugdhulp nemen.

In gedwongen kader

In gedwongen kader – d.w.z. in het kader van een kinderbeschermingsmaatregel of strafbeslissing van de kinderrechter – hebben de gecertificeerde instellingen op grond van de Jeugdwet de bevoegdheid om te besluiten over de inzet van jeugdhulp.

Overgangsrecht

de wetgever bepaald dat cliënten uit 2014 wiens zorg doorloopt in 2015 hun recht op zorg in 2015 behouden (het zogenaamde overgangsrecht). Het aantal toegekende jeugdhulpvoorzieningen via al deze verschillende toegangsroutes worden in Amsterdam gemonitord in een centrale beschikkingenadministratie

VOT

De gemeente krijgt zicht op het aantal verwijzingen van de (huis)artsen en scholen en de inzet van jeugdhulp door de gecertificeerde instellingen in gedwongen kader via het zogenaamde Verzoek om toewijzing van zorg (VOT) van de jeugdhulpaanbieders. Het insturen en verwerken van deze VOT’s is pas in het voorjaar 2015 goed op gang gekomen. Veilig Thuis is in bovenstaande tabel als aparte route opgenomen, omdat op grond van de verordening op de Zorg voor de jeugd Amsterdam door de lokale teams besloten kan worden tot de inzet van jeugdhulp op aanwijzing van een medewerker van Veilig Thuis. Huisartsen hebben geen bevoegdheid om een persoonsgebonden budget toe te kennen.

Zorgcategorie

De individuele jeugdhulpvoorzieningen in Amsterdam zijn ingedeeld naar twaalf zorgcategorieën (dit is formeel vastgelegd in de nadere regels op de verordening). Naast de zorgcategorie Ondersteuning bij het opstellen van een familiegroepsplan, worden vier zorgcategorieën onderscheiden binnen het voormalige domein van de provinciale jeugdzorg, twee vier zorgcategorieën binnen het domein van de geestelijke gezondheidszorg (voorheen Zorgverzekeringswet), en vijf zorgcategorieën binnen het voormalige domein van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). Hieronder een korte toelichting per domein.

In de centrale beschikkingenadministratie is niet alleen opgenomen wie toegang heeft verleend tot de jeugdhulpvoorziening, maar ook wat de aard van deze jeugdhulp is. Dit gebeurt op het niveau van de 12 Amsterdamse zorgcategorieën voor jeugdhulp


Groep 1: Jeugdhulp bij ernstige opvoed- en opgroeiproblemen (voorheen provinciale jeugdzorg)

Zorgcategorieen
-          Ambulante Jeugdzorg
-          Dagbehandeling Jeugzorg
-          Verblijf Jeugdzorg
-          Pleegzorg

De voormalige provinciale jeugdzorg (ook wel jeugd- en opvoedhulp genoemd) betreft intensieve hulp voor ingewikkelde problemen in de opvoeding en wordt vaak gedurende een lange periode (intensief) geboden. Organisaties voor Jeugd & Opvoedhulp helpen kinderen die gedragsproblemen hebben of vastlopen in hun ontwikkeling en ouders/opvoeders bij het zo goed mogelijk opvoeden van hun kinderen. Soms is ambulante jeugdzorg voldoende. Het kind blijft dan thuis wonen. Soms is het nodig dat een kind voor kortere of langere tijd niet thuis woont of overdag op de instelling verblijft. Dat laatste heet dagbehandeling. Als een kind niet thuis kan wonen wordt bij voorkeur in een pleeggezin geplaatst. Het pleegkind ontvangt dan pleegzorg, maar soms is plaatsing op een leefgroep noodzakelijk (verblijf jeugdzorg). In uitzonderlijke situatie kan, met toestemming van de kinderrechter, een jeugdige in een instelling voor gesloten jeugdzorg geplaatst worden (ook dit valt onder de zorgcategorie verblijf jeugdzorg). Altijd wordt ernaar gestreefd dat een kind in een gezin woont en dat waar dat niet mogelijk is het verblijf elders zo kort mogelijk duurt.

Groep2 : Jeugdhulp bij psychische en psychiatrische problematiek (voorheen GGZ, Zorgverzekeringswet)

Zorgcategorien
-          Generalistische Basis GGZ
-          Specialistische Basis GGZ
-           

Groep 3: Jeugdhulp voor jeugdigen met een beperking (voorheen AWBZ)

Zorgcategorien
-          Persoonlijke Verzorging
-          Kortdurend Verblijf
-          Behandeling LVB
-          Verblijf Lvb

De voormalige AWBZ-zorg voor jeugdigen kenden vier ‘functies.’ De vier Amsterdamse zorgcategorieën komen daarmee overeen. In het overgrote deel van de gevallen gaat het bij deze zorg om jeugdigen met een verstandelijke beperking. Belangrijkste doelgroepen zijn enerzijds jonge kinderen met een ontwikkelingsstoornis die intensieve hulp nodig hebben om hun achterstand in te halen en door te stromen naar het (speciaal) onderwijs; anderzijds jongeren met een licht verstandelijke beperking die (gedrags)problemen ontwikkelen als gevolg van hun beperking. Het aanbod bestaat uit begeleiding of behandeling (beide individueel thuis of op school of in een groep op de locatie van de aanbieder), of verblijf voor jeugdigen die door hun gedrag of door de gezinsomstandigheden niet langer thuis kunnen wonen. Begeleiding of behandeling wordt soms aangevuld met logeervoorzieningen – om ouders tijdelijk te ontlasten (dit valt onder de zorgcategorie kortdurend verblijf) – of persoonlijke verzorging richting het (jonge) kind.

Gecertificeerde Instellingen

Naast de jeugdhulp is ook de uitvoering van de jeugdbescherming en de jeugdreclassering met ingang van 1 januari 2015 een verantwoordelijkheid van de gemeente. Er zijn landelijke eisen gesteld waaraan de uitvoerders van de jeugdbescherming en jeugdreclassering moeten voldoen. Een certificaat van het Keurmerkinstituut garandeert dat zij aan deze landelijke eisen voldoen. Daarom wordt in de Jeugdwet gesproken van ‘gecertificeerde’ instellingen. De gemeente Amsterdam heeft met de andere gemeenten in de regio Amsterdam-Amstelland contracten afgesloten met drie gecertificeerde instellingen: Jeugdbescherming Regio Amsterdam (JBRA), de William Schrikkergroep (WSG), en het Leger des Heils (LdH).

Gezinsmanagement zonder MAATREGEL (DRANG)

Jeugdbescherming Regio Amsterdam heeft de laatste jaren een nieuwe gezinsgerichte aanpak ontwikkeld, waardoor zij in staat is de gezinnen waar sprake is van kindonveiligheid zonder een ondertoezichtstelling (kinderbeschermingsmaatregel) te motiveren om hulp te accepteren. Doordat de ouders vrijwillig meewerken is effectievere hulp mogelijk. Dit krijgt landelijk steeds meer navolging en ook de William Schrikkergroep werkt in steeds meer gezinnen op deze manier. De gemeente heeft daarom JBRA en WSG ook ingekocht voor deze vorm van gezinsmanagement zonder maatregel. Vanaf juli 2015 is ook het Leger des Heils gevraagd om te gaan werken met deze vorm van gezinsmanagement.

GI info



GI drang:  Jeugdhulp                via algemene voorziening geen beschikking
GI dwang: Geen Jeugdhulp      via maatregel,  geen beschikking
 

 Productcodes GI

JH071 t/m JH076 (drang en dwang, alleen gezinsmanagement). en JH077 tm  JH078




donderdag 1 oktober 2015

Calculation Context

Calculation Context: alle calculations, by default, gebeuren in een bepaalde context, dwz waar ze staan in het rapport

Een zelfde formule, die op verschillende plekken staat, kan verschillende resultaten geven.
Vaak is de default context wat we willen, maar niet altijd

Components of Calculation Contexts
Every calculation in Web Intelligence has an Input and an Output context.
  • Input Context: Determines what values are taken into the calculation. Think of it as, “I need to take into the calculation, one number for every __________?
  • Output Context: Determines the output level, or dimensions, by which the calculation is output. Think of it as, “I need this formula to put out one number for every __________?
The syntax for Calculation Context is as follows:

=Aggregate Function([Measure] Input Context ) Output Context


Notice that the Input Context is inside the aggregate function, and the Output Context is outside the aggregate function.

If you don’t specify an Input or Output Context, Web Intelligence will use the defaults.


Voorbeeld Output context

. Add another report to the document that we have already started, and place a block on it with Store name and Sales revenue.


Select the Sales revenue column, and add an Average calculation. In the footer of the block, you should see the following:


Averige formula:    =Average([Sales revenue])

Add the Average variable to the block, as the third column.


The value that we would expect to see, 2,799,016, isn’t showing up. Instead we’re seeing the same values as we see in the Sales revenue column. So let’s explore why.

if we don’t specify an Input or Output Context, Web Intelligence will use the default contexts. And in this case, we didn’t specify any contexts in the Average variable.

DEFAULT CONTEXT

So what is the default?

In the body of a block, the default Input Context is the dimension(s) displayed in the block.
The default Output Context is the dimension(s) displayed in the block.

If you were going to calculate the average manually, you would need to know what the numbers are for each store, sum them up, then divide by the count of stores. In other words, you would need to take into the calculation one number for each store, and you would want to output one number for the whole block of stores.

Well, that’s exactly what we need the Calculation Contexts to do. Since the default Input Context is the dimension(s) displayed in the block, and, in our case, the dimension displayed in the block is Store name, the default Input Context is to take in one value for each Store name. So, the default Input Context is fine.

So the problem must be the Output Context. Again, the default Output Context is the dimension(s) displayed in the block. In our case, therefore, the default Output Context is to output one number for each Store name.
So, what is happening here is that we’re taking into the calculation one number for each Store, and outputting one number for each Store. Clearly, that isn’t very useful. What we really want is to take in one number for each Store (the default), and output one number for the entire block (not the default). So, we need to specify the correct Output context.
So, let’s open up the Average variable, so we can modify the Output Context. Click at the end of the formula, outside the aggregate function, and enter the following:
In Block
So the entire formula should now be:

=Average([Sales revenue])In Block

The “In Block” part of the formula tells the formula to output one number for the entire block.


Dit is wat we willen

Voorbeeld Input Context

we can remove the Average column from the block. Our next step is to add another variable to the block. This time, we want to display the most revenue earned by each store in any one year. So, create another measure variable, called Maximum, with the following formula:

=Max([Sales revenue])

Add this new variable to the block as the third column. Does it look familiar? Just like the Average variable, Maximum is just repeating the Sales revenue values. This can’t possibly be correct! You’re right. It’s not correct. Since we didn’t specify an Input or Output Context, the formula is using the defaults. Therefore, it is taking in one number for each Store name, and outputting one number for each Store name. What do we want it to do? Well, in order to know the most revenue each Store earned in any one Year, we need to know what the values are for each Store, for each Year. In other words, we need to take into the calculation both Store name and Year, not just Store name. And, we want to output one number for each Store name, which is the default, so we don’t need to specify an Output Context.

So, open up the Maximum variable, and click just inside the closing parenthesis, so we can specify the Input Context.
=Max([Sales revenue]In([Store name];[Year]))

Notice that this time, we put parenthesis around the objects used in the context. When you use a keyword, such as Block or Report as the Context, you don’t put parenthesis around it. But when you use objects, like Store name or Year, you always put parenthesis around them.
Click OK, and confirm that you want to modify this variable. Now, you see very different values.







Context Operators

There is a simple (but powerful) set of context operators that I can choose from.
the default context for a measure is based on the dimension values present in the block structure. I can alter which of those dimensions impact the calculation using one of the following three context operators.
  • In is used to specify exactly which dimensions to include in a context. Other dimensions in the block are ignored. Adding / removing elements from the block does not impact this calculation unless a removed dimension was specified in the context. In that case a #MULTIVALUE error is displayed.
  • ForEach is used to include a dimension in a context. The calculation context is still affected by other values in the block.
  • ForAll is used to exclude a dimension from a context. Other dimensions of the block will still be considered. Adding or removing values from a block might change the value, but it will always ignore the ForAll items.
The operators listed above all require one or more dimensions as part of their syntax. However, calculation context can be specified by more than a set of dimension values. There are a series of report structure keywords that can be used as well.

  • In Report sets the context at the report or “grand total” level. Any formula with these keywords for the context will return an overall total. Note that the total may still be affected by report filters.
  • In Block sets the context for each  section. For years I have been waiting for this setting to be renamed to reflect how it really works, but it hasn’t. I suppose it’s for backwards compatibility. If there is only one block on a report then “In Block” and “In Report” are going to be the same. But when a block is broken up into sections, then this context will generate a total for each section value. For that reason I submit that a better name might have been “In Section” instead, but as long as I know what it does the specific word does not really matter.
  • In Body is the standard default context for each row of data. 
Finally, these keywords can appear in several places in a formula. The most common are the “input” and “output” context settings, but certain functions (like RunningSum() for example) also have a “reset” context.
  • Input context is used to determine the input values for the formula.
  • Output context is used to determine the output scope of the formula.
  • Reset context is used to determine when a running function starts over at zero.
Dimensions referenced in the input context do not have to appear in the block. Output and reset dimensions must appear in the block in order to function correctly. For many calculations the default input context works just fine. I will show an example where it’s crucial to understand input context later on. For now I would like to move on to a simple example
simple report block





This block already has a total on it. If this were a typical spreadsheet I could reference the total value using a row/column address, but that doesn’t work in Web Intelligence. That means I have to use another technique to generate the grand total. I mentioned the solution earlier… all I have to do is create a simple formula that looks like this:
calculation context formula
Here’s the formula again:
=[Revenue] / [Revenue] In Report
Remember that the In Report context projects the measure up to the overall report total. By using that calculation context operator in the denominator of my division I ensure that I will always be dividing by the grand total in this formula. The results?

Finished report block